september -oktober 2002

Over vriendschap …
Jean-Pierre woont met zijn familie in een groot huis op een wondermooi eiland in de Indische oceaan.
Er zijn prachtige bloemen, bomen en zandstranden zover je kan kijken.
In de loop van de eeuwen bevolkten mensen van verschillende afkomst het eiland:
Afrikanen, Europeanen, Indiërs en Chinezen.

Ze kwamen als bewoners, slaven, suikerrietarbeiders of handelaars.
Het waren Hindoes, Moslims, Boeddhisten of Christenen en ze spraken verschillende talen. Ze moesten dus ondervinden hoe ze met respect met elkaar konden leven.
En dat is niet zo makkelijk als men zo verschillend is.



In zijn klas en bij zijn vrienden, ziet Jean-Pierre goed dat vriendschap iets breekbaars is, dat je je iedere dag opnieuw moet inzetten,dat ze nooit eens en voor altijd gewonnen is. Een discussie, een ondoordacht woord, de manier waarop je elkaar bekijkt... en de vriendschap wordt al bedreigd.
Net als vele kinderen die ik ken, vraagt Jean-Pierrre zich wel eens af:
- Waarom voeren mensen oorlog?
- Wie heeft de slavernij uitgevonden?
- Waarom zijn de vogels die men ‘Dodo’s’ noemt van ons eiland verdwenen?
- Waarom zijn er zo’n arme mensen in ons land?
- Waar is Marie-Laure, nu ze gestorven is?
- Waarom is er geen werk voor iedereen?
- Wat kan ik doen om de wereld te verbeteren?
Zulke vragen bespreekt hij met zijn moeder, als ze nog even bij hem komt zitten om hem goedenacht te wensen.

Op een avond, toen hij haar een van zijn moeilijke vragen toevertrouwde, zei ze hem: “De vaders en moeders kennen ook niet alle antwoorden. Maar misschien vind je oplossingen als je er samen met anderen over nadenkt.”


Moeders opmerking bracht hem op een idee. Hij wist dat zijn vrienden Desmond en Morris
zich ook veel vragen stelden, vragen waarop men op school niet altijd een antwoord wist.
Hij stelde hen voor samen te komen om erover te praten.

   

 

Zo zetten ze zich om de veertien dagen om de tafel bij Jean- Pierre thuis. In het begin waren ze maar met vijf, dan kwam Loorna erbij en ook Paul, Nawaz en Naffeeza. De moeder van Jean-Pierrre, zijn grote zus Nathalie en Philip, zijn oudere broer, waren er ook bij om hen raad te geven indien nodig.


Samen ondervroegen ze de volwassenen en lazen ze boeken en tijdschriften om het leven van kinderen uit andere landen en streken beter te leren kennen. Ze overlegden hoe ze in hun klas een betere sfeer konden scheppen en hoe ze de nieuwe kinderen konden verwelkomen zodat ze zich goed zouden voelen.

Kort voor de grote vakantie hoorde Jean-Pierre dat hij een openhartoperatie moest ondergaan.
Hij had al jarenlang hartproblemen, maar nu was een hartoperatie ècht nodig.
Bovendien moest hij ver weg: naar Zuid-Afrika! Zijn mama was afkomstig uit dat land
en zijn grootouders woonden daar ook nog.
Jean-Pierre was ongerust, zelfs al wist hij dat hij heel goed verzorgd zou worden.
Zijn moeder had gezegd dat een arts uit haar land de allereerste harttransplantatie
met succes had volbracht. Zijn operatie was niet zo moeilijk.


Jean-Pierre was ook verdrietig. Natuurlijk ging zijn moeder mee, en ook zijn vader, en zijn grootouders wachtten hem op. Zij zouden voor hem zorgen, maar hij moest ook afscheid nemen van Desmond, Nawaz, Loorna en ginder had hij geen enkele vriend!
In het ziekenhuis, in dezelfde kamer als hij maakte hij al vlug kennis met Nelson die een paar jaar ouder was. Hij was daar al twee weken. Ze hadden bij hem ook een hartoperatie uitgevoerd en alles was heel goed verlopen. Ze konden het meteen goed met elkaar vinden en werden vrienden.
Nelson legde Jean-Pierre tot in détail uit hoe zijn ingreep zou verlopen. Nelson had zo’n grappige manier van vertellen, dat Jean-Pierre zich eindelijk kon ontspannen.
De avond voor de operatie was Jean-Pierre wat stilletjes. Nelson riep hem zachtjes:


“Kijk naar mij, en raad welk dier ik ben!”
In het halfdonker van de kamer zag hij niet méér dan twee grote ogen in een bruin gezicht. Nelson imiteerde een aap, een uil en een olifant en maakte Jean-Pierre toch weer aan het lachen .

De operatie was goed verlopen en de volgende dagen konden de jongens elkaar heel veel vertellen.
Toen er een brief van de vriendengroep aankwam, vertelde Jean-Pierre over hun avonturen samen.
“....en sinds enkele maanden komt Pierrot ook naar onze groep. Hij lijkt een beetje op jou: hij spreekt nooit over zichzelf of over zijn familie. Maar hij begrijpt heel veel! Wanneer we over mensen spreken die een moeilijk leven leiden, of over de toekomst praten, heeft hij geweldige ideeën.”
Nelson zei heel serieus: “Weet je, misschien moet Pierrot eerst voelen dat jullie echte vrienden zijn vooraleer hij over zijn familie durft spreken.
Bij mij is het ook zo. Ik vertel enkel over mijn familie aan mijn echte vrienden.
Weet je, ik mis mijn moeder, mijn vader, mijn zussen en broers heel erg.
Sinds ik hier ben heb ik ze niet meer gezien. Ze wonen te ver om mij te komen bezoeken
en de reis is te duur. Mijn moeder moet ook op zondag werken, dus...”


Even werd het stil, maar Nelson werd vrolijker:
“Hier heb ik tenminste een bed voor mij alleen!
En nu ik genezen ben, zal ik mijn familie ècht kunnen helpen. Morgen komt mijn grote broer mij halen.
Ik mag naar huis!!
De volgende morgen namen de twee vrienden afscheid.
Jean-Pierre haalde uit zijn nachttafel een kleine blinkende witte steen, en gaf hem aan Nelson:

 

“Ik heb hem gekregen van een andere vriend, maar vriendschap moet je
doorgeven vind ik. Hier, neem hem maar, als een aandenken.”
Nelson hield de steen in zijn hand, bekeek hem en zei:
“Ik zal hem mijn hele leven bewaren!

Voor Afrikanen zijn vriendschap en broederliefde heilig!
Dat heeft mijn volk mij geleerd.”

 

Bovenstaand verhaal is een uittreksel uit het pas verschenen boek “Mijn hart klopt in deze steen”.
Het prachtige boekje neemt je mee met kinderen die stenen verzamelden. Kinderen van overal in de wereld, kinderen die het moeilijk hebben, kinderen die vrienden zoeken, kinderen die gewoon willen leven!
Een boekje boordevol verhalen en tekeningen in kleur om bij weg te dromen.


“Mijn hart klopt in deze steen”,
Noldi Christen, 120 blz, uitgeverij Editions Quart Monde, 2002. Prijs 8 euro + verzendingskosten.
Je kan het boek bestellen bij ATD Vierde Wereld, Victor Jacobslaan 12, 1040 Brussel, tel. 02 647 92 25